Klokkenluidersgilde

Home Klokkenluidersgilde

Het rooster van het klokkenluidersgilde vindt u hier:

Klokkenluiders 2018

U vindt het wellicht heel gewoon dat de klok op de toren altijd loopt en dat u op elk vol uur kunt horen hoe laat het is. Dat gaat echter niet vanzelf. Het uurwerk in de toren moet namelijk elk etmaal handmatig worden opgewonden. Jarenlang heeft Frank van Vree deze taak op zich genomen. Sinds januari 2008 is deze taak overgedragen aan het “klokkenluidersgilde”. Bij toerbeurt zorgt een twaalftal inwoners van Pingjum dat het uurwerk blijft draaien en de klok blijft luiden.

 

Fan boppe-ôf sjoen

– negen jaar klokken, klepels en vlaggen in Pingjum
Onderstaand stuk schreef Frank van Vree na negen jaar elke dag de klok in Pingjum te hebben opgewonden. Een jaar later, in 2008, deelt hij dat werk met de collega’s van het Gilde, die per toerbeurt de dagelijkse klus klaren. Het stuk geeft een goede indruk wat er komt kijken bij het werk van een klokkeluider.

Wat een schrik: geen vlag! Het is Koninginnedag en de kerktoren van Pingjum is bloot als de spreekwoordelijke keizer. En ja – soms staat de klok ineens een paar uur of twee dagen stil. Of er klinken twaalf slagen terwijl het pas elf uur is. Het is allemaal waar, maar wie weet wat er allemaal bij komt kijken om de klok en het slagwerk op tijd te laten lopen en de vlag te laten wapperen, zal begrijpen dat er wel eens wat misgaat. Weinig mensen weten wat er achter de dikke torenmuren gebeurt – vandaar dit verhaal.

Van Slingers en Gewichten
Eerst de klok en het slagwerk. Om die op tijd te laten lopen en te laten slaan, moet het mechaniek iedere dag worden opgewonden, met een speling van een uur of zes, afhankelijk van het tijdstip waarop het de laatste keer is gebeurd – maar nu wordt het verhaal al te technisch. Kort gezegd komt het er op neer dat ik elke dag de toren in klim, twee ladders op, om met twee enorme slingers in 30, 35 slagen de gewichten zo’n 12 meter omhoog te takelen.

Ik doe dat al bijna negen jaar, iedere dag. Het baantje is mij min of meer in de schoot geworpen nadat ik de toenmalige torenbeheerder, Martin Tilstra, had gezegd bij zijn afwezigheid het slag- en uurwerk wel te willen verzorgen. De klok stond namelijk – overigens vooral door technische defecten – regelmatig stil. Nauwelijks een maand later, toen Martin van een vakantie terugkwam, zei hij ermee te willen stoppen; hij had het vier jaar gedaan en vond het welletjes. Of ik zijn taak wilde overnemen – en daar stond ik dan met mijn goeie gedrag.

Mijn opdrachtgever is de stichting die namens de gemeente verschillende torens in Wûnseradiel beheert. Net als in veel andere Friese dorpen is de toren van Pingjum sinds twee eeuwen van de kerk gescheiden: de toren is gemeentebezit, terwijl de rest van het gebouw eigendom is van de Hervormde Kerk. Van de stichting krijg ik voor het opwinden een vergoeding van € 0,25 (zegge vijfentwintig eurocent) per dag – voor niets doe ik het dus niet!

Slippende Tandwielen
Er kan wel eens wat mis gaan. Als ik de trein mis, bijvoorbeeld, kan de klok stil komen te staan, en dat gebeurt ook wanneer ik het vergeten ben – zelfs dat gebeurt wel eens. Als de klok langer stilstaat is er meestal meer aan de hand, bijvoorbeeld wanneer ik een paar dagen of zelfs een paar weken weg ben, op vakantie of voor mijn werk.

Als ik langer dan een dag weg ben probeer ik natuurlijk iets te regelen, om te voorkomen dat de tijd in Pingjum stil staat. Dan vraag ik anderen de dagelijkse klus te klaren – te beginnen met mijn zoon Boris, verder Jan Ykema, Johan Schroor, Rinze Tichelaar en Erik Nuyten. Zij doen hun best en meestal gaat het goed, maar ook bij hen kan het misgaan. En dan is het gelijk goed mis. Ik weet inmiddels hoe je bij stilstand de klok en het slagwerk weer gelijk kan zetten, mijn vervangers hebben die ervaring meestal niet, en dan staat de klok al gauw een paar dagen stil, tot ik weer thuis ben.

En nog een detail: soms lopen de klok en het slagwerk niet gelijk. Dat kan twee oorzaken hebben. Soms heb ik niet goed opgelet en de klok opgewonden juist op het moment dat het slagwerk af zou moeten gaan. Het gevolg daarvan is dat het slagwerk een half uur gaat overslaan – en als ik dat niet hoor, of vertrokken ben, kan het even duren voordat de zaak weer gelijk oploopt. Een andere oorzaak kan liggen in een palletje dat is los getrild: daardoor gaan de tandwielen slippen en raakt de klok letterlijk van slag.

Vlaggen en luiden
Dan het vlaggen. Er zijn enkele verplichte vlagdagen, vastgesteld in een gemeentelijk protocol, zoals 30 april, 4 mei (halfstok) en 5 mei; daarnaast hang ik volgens de beste traditie de Fryske vlag uit op de dagen van de Merke en – op verzoek – op Halsbândei half juni. Verder luid ik op eigen initiatief op 4 mei de doodsklok, waarbij de kleine klok op een speciale manier langzaam en eentonig moet worden geslagen. Verder laat ik op oudejaarsavond om 12 uur de klokken feestelijk klinken. Het luiden van de klokken bij kerkdiensten en begrafenis valt niet onder mijn verantwoordelijkheid.

Het vlaggen is geen eenvoudige klus. Niet omdat je naar de top van de stoffige toren moet klimmen, via acht trappen en ladders, waarvan de laatste los staat. Als je geen hoogtevrees hebt, is er niets aan de hand. En als je het dakluik van 15 kilo van buiten naar binnen heb gehaald – in één beweging, anders valt het subiet naar beneden – dan kun je even genieten van het prachtig uitzicht over het gebied dat zich uitstrekt van Pingjum richting Waddenzee, naar Franeker, Leeuwarden. Als het mooi weer is kun je de eilanden zien liggen – en het dorp zelf, fan boppe-ôf sjoen, en het gekke is dat je daar boven vrijwel letterlijk kan verstaan wat er beneden wordt gezegd.

Een gevaarlijke klus
Het echt moeilijke moment is het naar buiten hijsen van de vlaggestok: een zware houten boom, van een meter of vijf, waar de vlaggenmast van een paar meter in gestoken is. Dat hele gevaarte moet met vlag en al met een krakkemikkig katrol worden opgetakeld en vervolgens even worden opgetild om het op z’n plaats te zetten. Dat kan eigenlijk alleen maar met z’n tweeën. Ik heb het wel eens alleen gedaan, maar dat is onverantwoord. Zelfs als je met z’n tweeën bent, moet een van de twee zich begeven in een situatie die geen enkele ARBO-controle zou doorstaan en onmiddellijk het etiket ‘levensgevaarlijk’ zou krijgen opgeplakt. Maar als-ie staat, staat-ie – in een kwartier, twintig minuten. Toen ik begon deed ik er soms meer dan een half uur over.

Misschien dat nu duidelijk is waarom de vlag niet altijd hangt. Voor zover ik weet weet niemand anders in het dorp precies hoe uitsteken van de vlag in z’n werk gaat en gelet op het feit dat het niet ongevaarlijk is, zal ik dus niet zo snel iemand vragen even de vlag uit te steken. Ik kijk wel uit: ik zou mezelf nooit vergeven als er wat gebeurt. En dat betekent dat de toren soms leeg blijft – zoals de laatste Koninginnedag, toen ik een week in het buitenland was.

Wegwaaiende Hanen
Maar er kunnen meer redenen zijn waarom de vlag niet wappert. Wanneer het bijvoorbeeld hard vriest of stormt, kan het luik niet open en wanneer het oostenwind (kracht 3-4 of meer) is, is het gevaar groot dat de vlag blijft haken aan de dakpannen of – erger nog – de haan. Dat is een keer gebeurd, toen ik net met dit baantje begon, met als gevolg dat de haan werd opgetild en van z’n pen afkukelde – om met een klap op een van de graven ter aarde te storten. Er was een hoogwerker nodig om hem weer op z’n plek te krijgen. Om dezelfde redenen moet ik soms besluiten om de vlag ’s avonds niet binnen te halen.

Er is, kortom, meestal een zwaarwegende reden waarom de vlag er op een bepaalde dag niet hangt. Verontwaardiging is dus niet altijd op z’n plaats. Soms kán het eenvoudigweg niet vanwege het weer, en het is – zoals ik hopelijk duidelijk heb gemaakt – geen klusje dat je even aan iemand overgeeft. Wel heb ik Dorpsbelang toegezegd op zoek te gaan naar een vaste vervanger voor het vlaggen en hem ook in te werken.

Tot besluit
Er is heel wat nodig om de klok iedere dag op tijd te laten lopen en de klepel ieder half uur te laten klinken – en al helemaal om de vlag te laten wapperen, al hoeft dat laatste gelukkig niet te vaak. En het is als met elk baantje, dat je feitelijk als vrijwilliger zo lang doet: soms heb je er even geen zin meer in, zeker niet wanneer er ook nog gezeurd wordt – al heb ik inmiddels begrepen dat onwetendheid hiervan meestal de oorzaak is. De tien jaar zal ik nog wel volmaken – tenzij zich voor die tijd een nieuwe enthousiaste vrijwilliger aanbiedt.

Contact: